Terreintips voor
beginners
(dit is een aanvulling
op cursussen, oefenen, goede raad, afkijken,
meerijden met ervaren rijders, trainingsevenementen,
enzovoort. Het is daar geen vervanging
voor. Het is ook geen gedragscode. Daar
is al in voorzien. Het zijn gewoon tips,
zodat je als beginner gaat denken: "O
ja, dat lijkt me inderdaad belangrijk
om rekening mee te houden.")
Voorbereiding
1.
lees
het boekje the Land Rover Driving Experience
eens door.
Er zijn ook interessante websites met
terreintips:
http://www.terreinrijden.nl
2.
Kijk binnen
eens rond. Welke dingen krijg je liever
niet naar je hoofd gegooid? Berg die ergens
in op en/of sjor ze vast.
3.
Kies de juiste
banden en bandenspanning. Voor slappe
modder op een stevige ondergrond is een
hoge smalle band met grof profiel het
best. Deze "snijdt" door de modder en
krijgt grip op de nog stevige ondergrond.
Voor zand en slappe veengrond zijn brede
banden met veel draagvlak het best. Heeft
de reserveband nog druk?
4.
Verlaag -zodra
je in het terrein bent- de bandenspanning.
Een band met verlaagde druk heeft een
groter contactoppervlak met de ondergrond.
Houd het boven de 1 bar. Met een hogere
rating dan 6ply kan het misschien nog
wel lager. Rijd hiermee niet harder dan
30 en geen grote stukken op de weg. (Al
bedacht hoe je ze naderhand weer oppompt?)
5.
Zorg dat het
voertuig in mechanisch goede conditie
is, controleer vooraf olie en andere vloeistoffen.
Monteer de "wade-plug" als je door water
moet. In je koppelingshuis zit er een
en sommige mensen hebben er ook een ontdekt
onderin het huis van je distributieriem.
6.
Check even of
je alles bij je hebt wat je nodig denkt
te hebben. (maak voor het gemak een checklist,
bijv.: (elastische) sleepkabel of sleeplint,
d-sluitingen, boomlint, hi-lift of jack-all,
zaklamp, handlier, wielmoersleutel, doppen
en ander gereedschap, ehbo-kit, zeiltje,
droge sokken en trui, brandblusser, zekeringen,
reserve verdelerkap, lampjes, (leger-)spade
of schep (pannetje, bats), werkhandschoenen,
GSM, poetslappen, stuk oud tapijt om op
de vloer te leggen (rubberen rug boven)
of om uit rul zand te komen, klapanker,
enz.)
7.
Draag altijd
een gordel. Overweeg bij ruig werk een
rolbeugel of rolkooi en een helm. Er bestaan
4 punts rally gordels die beter beschermen
dan een driepuntsgordel, maar je wel weer
minder bewegingsvrijheid laten.
8.
Smeer alles
goed door. Behalve de smering levert het
namelijk een goede bescherming als je
door plassen en water gaat.
9.
Elektrisch:
er zijn coatings die hittebestendig zijn
en een plastic film achterlaten op motor
en bedrading, bijvoorbeeld Sonax motorspray.
Elektrische bedrading, stekkers en andere
componenten worden zo net weer een tikje
beter beschermd tegen water dan zonder.
10.
Maak jezelf
vertrouwd met hoe de gearing werkt. Bij
de Series zet je de tussenbak in z'n laag
met de rode hendel (de middelste stand
trouwens is neutraal en dient om stationair
een apparaat te kunnen aandrijven vanaf
de aftakas, denk bijvoorbeeld aan een
waterpomp). Als de rode hendel in z'n
laag staat, heeft de gele pook geen functie,
de vierwielaandrijving is 'in laag' standaard
ingeschakeld. De gele pook dient om de
4WD in te schakelen tijdens het rijden
in de hoge gearing. De Series heeft geen
versnellingsbakdifferentieel, daarom moet
je de 4WD weer uitschakelen bij rijden
op de weg. Je doet dit door de rode hendel
'in laag' te zetten en daarna weer 'in
hoog' - de gele pook schiet dan omhoog.
Denk erom dat je eventuele freewheelhubs
ook inschakelt in het terrein.
De Defender heeft permanente vierwielaandrijving
en is dus voorzien van een versnellingsbakdifferentieel.
Deze kan gelockt (gesperd) worden in het
terrein en wordt bediend met hetzelfde
pookje als de gearing. Links is gelockt
hoog-laag (terrein) en rechts is ongelockt
hoog-laag (weg). In de linkerstand gaat
er een oranje waarschuwingslampje branden,
zodat je eraan herinnerd wordt om -eenmaal
terug op de weg- het differentieel weer
te unlocken. Het contact van dit lampje
blijft soms even hangen, maar dat zegt
niets over de werkelijke stand van de
bak. Even schakelen, rijden en terugschakelen
en het contact rammelt wel weer los. Het
versnellingsbakdiffrentieel spert voor/achter.
Als mensen het echter over een sperdifferentieel
hebben, bedoelen ze bijna altijd een links/rechtsdifferentieel
dat gesperd kan worden. Dat zit niet standaard
op de Defender. Allerlei ABS-achtige voorzieningen
zoals "Hill-Descent" beginnen pas bij
bepaalde toerentallen te werken. Gebruikers
zeggen dat je het gedrag ervan even moet
leren kennen om te weten waar je aan toe
bent. Mee spelen dus.
Houding en rijstijl
1.
Houd je duimen
op het stuur, niet eromheen, anders kun
je een rake klap krijgen als de wielen
het stuur draaien. Dat gebeurt met kracht
wanneer de wielen uit zichzelf het spoor
of een kuil insturen, of als het wiel
schuin of zijdelings een obstakel raakt.
2.
Houd je linkervoet
op de vloer, niet op het koppelingspedaal.
Hobbels maken dat de motor onbedoeld ontkoppelt.
Met name op hellingen kan dat gevaar opleveren.
3.
Blijf recht
zitten ten opzichte van de auto (ook als
deze scheef hangt), dan voel je het gedrag
van de auto het beste aan.
4.
Houd niet alleen
afstand tot de auto voor je, maar ook
zijdelings. Zelfs bij een geringe snelheid
kan de auto in een fractie van een seconde
dwars op de rijrichting draaien of zijdelings
wegglijden. Met name als je wielen opeens
in een spoor 'vallen' of zijdelings in
een kuil glijden.
5.
Rij rustig,
maar houd voldoende vaart. Bij enige vaart
helpt de massa van de auto mee om kuilen
en extra glibberige stukken te nemen.
Denk aan de slogan: "Rij zo rustig als
kan en zo snel als nodig"
6.
Zolang je niet
al je motorvermogen nodig hebt, is een
rustig toerental in een hogere versnelling
de beste manier om een constante draaisnelheid
van de wielen aan te houden.
7.
Als de banden
tijdelijk geen grip hebben, merk je nauwelijks
dat de wielen naar rechts of links staan.
Op het moment dat ze opeens weer grip
krijgen, beweegt de auto met een onverwachte
ruk naar rechts of links. Als sturen niet
het gewenste effect heeft, stuur dan weer
rechtuit. De auto zal zich voorspelbaarder
gedragen.
8.
Met twee handen
aan het stuur heb je het meeste controle.
Dus 'doorschuivend sturen' is zekerder
dan 'overpakkend' sturen.
Verkennen en gevaren
anticiperen
1.
Als je met meer
mensen op een terrein bent, kijk dan eens
rond naar hoe anderen het doen. Welke
routes kiezen ze door het terrein? Hoe
verloopt dat? Wat gaat goed? Wat gaat
fout? Welke routes lijken je goed haalbaar
en welke (nog) te moeilijk? Vraag mensen
om raad of tips. Soms nemen ervaren rijders
mensen mee en leggen graag het een en
ander uit. Soms loop je als beginneling
tegen adviezen of discussies op met een
hoog Rambo-gehalte. Dan zijn bepaalde
rijstijlen heel stoer en andere het noemen
nog niet eens waard. Het zou gevaarlijk
zijn als je sommige adviezen klakkeloos
overneemt. Kijk dan eerst eens hoe die
mensen daadwerkelijk rijden. 10 tegen
1 dat je kundig, beheerst en effectief
rijgedrag ziet. En de verdedigers van
rust en beheersing? Als die net zo hard
op je tenen zouden trappen als op het
gaspedaal, 10 tegen 1 dat je dat niet
heel beheerst zult vinden. Bij LRCH evenementen
zijn de aanwezige evenementen commissieleden
en marshalls, herkenbaar aan hun jassen
en hesjes altijd bereid om uitleg en aanwijzigingen
te geven.
2.
Stap op een
lastig punt uit en bekijk het vervolg
van je route, of de ondergrond of waar
het pad heen loopt, enz. Verken het terrein.
Sommige mensen zeggen het nog krachtiger:
"Ga NOOIT onbekend terrein in. Verken
altijd eerst te voet."
3.
Kijk naar de
auto's voor je. Waar zij vastlopen, loop
jij wellicht ook vast. Probeer iets anders.
Verlaat sporen bij een ondiepte. Dit betekent
niet dat het omgekeerde waar is. Als auto's
voor je er door kunnen, kun jij best nog
wel vastlopen.
4.
Denk aan Newton.
Het voertuig zal voortbewegen in een rechte
lijn wanneer sturen en remmen niet helpt.
Probeer steeds te voorzien waar die rechte
lijn uitkomt.
5.
Houd afstand
en rij pas als het hele traject, waarbinnen
je tot stilstand kunt komen, vrij is.
Let ook op kinderen die soms onverwachte
dingen doen. Pas op onoplettende voetgangers.
Voetgangers (die geen 4x4 rijden) gaan
er soms blindelings van uit dat auto's
wel zullen stoppen. Ze stappen er vlak
voor langs en houden er geen rekening
mee dat de auto soms niet k‡n stoppen.
6.
Houd er rekening
mee dat je opeens ongecontroleerd kunt
gaan glijden of draaien, beperk je snelheid
waar zijdelings wegglijden gevaar oplevert.
Ik krijg al jaren post over een bepaalde
weg langs een afgrond in Peru. Ieder jaar
tientallen doden. Het is altijd: "Onbegrijpelijk,
het was juist een van de meest ervaren
chauffeurs". Juist daarom, denk ik dan.
Beginnende chauffeurs kruipen er langs
en ervaren rijders maken meer vaart. Dat
gaat jaren goed en dan opeens ligt er
een rotsblok, modder, de auto slipt, roteert
of glijdt zijdelings weg. Wie daar 30
km/u rijdt is binnen 0,2 s (de reactiesnelheid)
al met z'n voorwielen in de afgrond. Wie
stapvoets rijdt kan bijtijds stoppen en
overleeft het.
Rijden in modder
en door diepe sporen
1.
Als je met je
wielen direct naast een diep spoor rijdt,
rijd dan niet te hard, al je wielen in
het spoor vallen, krijgt de voorwaartse
energie plotseling een andere richting,
of wordt het omgezet in een rotatiebeweging.
Tien km/h lijkt weinig, maar in de verkeerde
richting gaat het opeens heel hard.
2.
Niet teveel
sturen, corrigeer met kleine beetjes.
Probeer niet krampachtig te sturen als
je in een spoor zit. Laat de wielen zelf
het spoor volgen. Gebruik het stuur alleen
om te stabiliseren. Verlaat het spoor
waar het ondiep is.
3.
Wees erop bedacht
dat met name in bochten sporen dieper
kunnen zijn dan ergens anders.
4.
Als je in een
spoor grip verliest, helpt naar links
en naar rechts sturen misschien om via
het hoekprofiel van de band grip te krijgen
op de zijkant van het spoor.
5.
Voorkom spinnende
wielen. Die hebben geen grip en spinnen
vult het profiel met modder waardoor de
band nog gladder wordt. Daar waar modder
is, zijn meestal ook plassen. Als je daar
door rijdt, schoon je je profiel weer
wat op.
Doorwaden van water
1.
Doe je koplampen
even uit (tegen knappen van het glas)
2.
Hang een plastic
zak voor de radiator. Maak een boeggolf
door een zekere vaart aan te houden. Het
water daarachter vormt ter hoogte van
de motor juist een golfdal. Zo dompel
je de motor minder onder dan de rest en
dat is prettig. Haal daarna meteen de
zak weer weg.
3.
Verken eerst
te voet wat er onder water zit. Hoe is
de bodem? Hoe diep? Peil met een schep
of stok, niet alleen kijken, want water
vertekent. Hoe hoog zit de luchtinlaat?
En de verdeler? Als het stroomt is waarschijnlijk
de bodem stevig, als het stilstaat ligt
er misschien slib. Probeer even hoe dik
die laag is. Controleer of de oevers aan
de overkant niet te steil zijn.
4.
Water in de
motor is niet goed (zacht gezegd). Zorg
dat het water ruim onder je luchtinlaat
blijft. Tot een stukje boven je banden
uit, moet bij alle standaard luchtfilters
goed kunnen.
Hellingen
op- en afrijden
1.
Doe op hellingen
geen dingen waar je niet zeker van bent
dat je ze kan. Hellingen zijn gevaarlijk.
Je kunt gaan glijden, ongecontroleerd
naar beneden denderen, rollen, vallen,
enzovoort. Leer om achteruit naar beneden
te rijden voor de momenten dat je besluit
dat je niet verder wilt en keren onmogelijk
is.
2.
Omhoog: kijk
bij het bestijgen van een steile helling
welke versnelling je op het steilste gedeelte
nodig zult hebben. Gebruik die dan voor
het hele stuk. Schakel niet als je klimt,
je raakt dan je vaart kwijt. Laat de wielen
niet teveel slippen. Rijd zo rustig als
maar kan, maar houd vaart.
3.
Andere weggebruikers:
verwacht dat er om de bocht andere voertuigen
zijn, of mensen of dieren. Houd een snelheid
aan waarmee bijtijds kunt stoppen of uitwijken,
ook als de ander dat niet kan. Voor dalend
verkeer is stoppen vaak bijzonder lastig.
4.
Neem hellingen
zonder weg niet diagonaal, maar recht.
Als je toch diagonaal afdaalt en je helt
teveel over (zou kunnen gaan rollen),
stuur dan recht naar beneden om kantelen
te voorkomen. Als de auto gaat glijden,
stuur dan in de richting van het glijden.
Als je omgaat moet je de motor afzetten
en je stoelzitting vastpakken. Alleen
bij de nieuwere Defenders kan dat. Ik
heb eens geleerd op een slipcursus om
me tegen het dak vast te drukken. Ik bleek
dat vervolgens reflexmatig te doen toen
ik eens geramd werd door een in slaap
gevallen vrachtwagenchauffeur en een paar
keer diagonaal over de kop ging. Het hielp.
5.
Gras (met name
nat) kan op een helling gladder zijn dan
ijs.
6.
Vooruitrijdend
de helling af: Zorg dat de wielen dezelfde
snelheid houden als de auto. Op sommige
hellingen/ondergronden zijn de alternatieven
niet "rijden" of "stilstaan", maar "rijden"
of "glijden". Dan is rijden het best,
want dan kun je nog sturen. Probeer dus
niet te stoppen op steile, gladde hellingen.
Zet 'm in z'n versnelling (meestal 1 laag,
of soms 2 laag) en concentreer op het
sturen. Rem op de motor, niet met de rem.
Maar als het moet (bijv. bij mechanische
storing) doe het dan met veel beleid.
Als het glad is op een afdaling en je
bij het remmen op de motor begint te glijden,
geef dan gas bij, zodat de banden weer
grip kunnen krijgen. Dan kun je in ieder
geval weer sturen. Nooit ontkoppelen.
Linkervoet op de vloer, zo kun je de koppeling
ook niet onbedoeld indrukken (als de wagen
schokt). Als een wiel tijdelijk grip verliest,
schuif je een stukje naar voren. Dit komt
door het differentieel. Je kunt voorzichtig
bijremmen.
7.
Helpt grote
snelheid bij het bestijgen van hellingen?
Dit is onderwerp van verhitte discussie.
De tegenstanders wijzen op de gevaren.
De voorstanders vinden dat als je een
helling voldoende snel bestijgt, dat je
dan nooit achteruit terughoeft. Bij een
iets langere helling werkt dat alleen
als je die vaart vast kunt houden, wat
bij onvoldoende grip niet lukt. Het voordeel
van het aanloopje is dan al na enkele
meters verdwenen. Ook met een flinke aanloopsnelheid
zul je dus toch soms achteruit omlaag
moeten. Nut van deze techniek: hij is
bij uitstek geschikt als je ziet dat vooral
het eerste stuk van een helling modderig
is en weinig grip biedt, terwijl het gedeelte
daarboven veel beter is.
8a.
Achteruit omlaag
rijden: Als je niet verder kunt en keren
geen optie is, moet je achteruit terug.
Het omschakelen van vooruit rijden naar
achteruit rijden vergt een speciale techniek.
Het gevaar is immers aanwezig dat de auto
gaat glijden, oncontroleerbaar wordt en
botst of gaat rollen. Drie dingen zijn
belangrijk bij het achteruit omlaag rijden:
1. bestuurbaarheid, je wilt je wielen
niet blokkeren, want zolang je wielen
niet slippen heb je enige grip en kun
je sturen, 2. vertraging - je wilt niet
naar beneden als een baksteen, dus je
wilt ofwel bijremmen, ofwel remmen op
de motor (dat laatste biedt gewoonlijk
subtielere controle) en 3. gevaren ontwijken
- als je even de tijd hebt gehad om achteruit
te kijken, kun je zien of de weg vrij
is en je route bepalen. Als er geen pad
of spoor is, rijd dan zo mogelijk niet
diagonaal, maar recht naar beneden. Je
rijdt rustig in z'n achteruit, remmend
op de motor, en als je gaat slippen geef
je wat gas bij zodat de banden weer "pakken".
Glijden, vooral zijwaarts, is een gevaar
om beducht voor te zijn, maar het gevaar
kan ook enigszins gerelativeerd worden:
je bent zover gekomen omdat er voldoende
grip was om omhoog te rijden - in principe
moet er dan ook voldoende grip zijn voor
een beheerste afdaling. Er zijn globaal
twee technieken om op een helling in z'n
achteruit te schakelen en er is een soort
mengvorm. Beide technieken kennen uitgesproken
voor- en tegenstanders, maar ze hebben
ieder wel hun nut. Ik bespreek ze apart:
8b.
Snel in z'n
achteruit met de "Snelschakel-techniek".
Het principe is om het dode punt te gebruiken
om te schakelen. Zodra je merkt dat je
niet verder omhoog komt en je wielen nog
slechts spinnen, rem je en ontkoppel je
en zet je 'm snel in z'n achteruit. Als
de auto op de rem stil blijft staan, neem
je even de tijd om te zien of de route
achter je vrij is. Als de auto echter
begint terug te glijden, laat je meteen
de koppeling opkomen. Geef zo nodig gas
bij als de wielen geen grip hebben. Verder
als hierboven beschreven in "achteruit
omlaag". De techniek is simpel: een kwestie
van aanvoelen en snel kunnen schakelen.
Veel oefenen dus. Voordelen van snelschakelen:
1. je houdt de tijd dat je aan het schakelen
(en dus onkoppeld) bent zo kort mogelijk,
2. je doet dat in het dode punt, wanneer
je maar weinig vaart hebt en 3. doordat
de auto nog enigszins in beweging is,
schakelt hij altijd goed in z'n achteruit
(bij stilstand staan soms tanden van versnellingen
niet goed tegenover elkaar). Nadeel: als
je het dode punt niet benut om stil te
staan, ben je vaak al op weg naar beneden
wanneer je pas naar achter kijkt.
8c.
De "Solihull
techniek" is zo genoemd omdat terreininstructeurs
van de fabriek deze techniek aanleren
aan offici‘le teams en testrijders. Het
principe is om te remmen zonder te ontkoppelen
en de motor daarbij af te laten slaan,
met als gevolg dat de auto stil komt te
hangen op zowel de compressie als op de
remmen. Als de auto stabiel stil blijft
staan, ontkoppel je, zet je 'm rustig
in z'n achteruit en laat je de koppeling
weer opkomen (de motor staat nog steeds
af). Je hebt nu tijd om te kijken of de
weg achter je vrij is en om je route te
kiezen. Laat nu voorzichtig de rem los
terwijl je tegelijkertijd start (zonder
te ontkoppelen). De LandRover startmotor
kan hier prima tegen. Je rijdt dan meteen
gecontroleerd naar beneden. Verder als
hierboven beschreven in "achteruit omlaag".
Eenmaal beneden zet je de motor uit en
weer aan, omdat soms de bendix van de
startmotor blijft hangen. Deze komt zo
los. De techniek lijkt op papier ingewikkeld
en gaat bij sommige mensen tegen hun intu•tie
in. In de praktijk heb je de slag echter
snel te pakken en blijkt het een goede
beheersing over het voertuig te bieden.
Nut en voordelen: 1. je stopt heel beheerst
(d.w.z. zonder wielspin), waardoor je
de grootste kans hebt op stabiele stilstand,
2. je kunt rustig achteruitkijken om je
route te kiezen en eventueel andere auto's
(in een konvooi bijvoorbeeld) de gelegenheid
te geven om zelf terug te rijden, 3. de
techniek nodigt uit tot beheerst rijden.
Nadeel: als stabiele stilstand niet lukt,
moet je alsnog snelschakelen en heb je
bovendien nog de extra handeling van het
starten.
8d.
Beide technieken
vergeleken: De ene techniek is in de praktijk
niet moeilijker dan de andere, maar Solihull
lijkt op papier ingewikkelder. Met geen
van beide technieken is het handig om
met een knal in de remmen te gaan of andere
dingen te doen die de grip verstoren die
je nog hebt. Methode Solihull is eigenlijk
een manier om zo subtiel te remmen dat
je maximaal kans hebt dat je wielen enige
grip vinden. Dit effect is ook met de
snelschakeltechniek te bereiken, namelijk
door gewoon rustig te remmen in het dode
punt. Met de "snelschakel" methode heb
je 'm sneller in z'n achteruit en dat
is wel een prettig gevoel. Methode "Solihull"
nodigt uit om even goed achteruit te kijken
voor je afdaalt. Dat is nooit weg.
8e.
De methode Gaydon.
Er is ook een derde methode. Als bij methode
"Solihull" de motor al bijna afslaat,
sta je al nagenoeg stil. Je voelt dan
allang aan of de banden grip gaan houden
of niet. Als je dan tegelijkertijd remt
en ontkoppelt, sta je ook stil en blijft
de motor lopen. Dat spaart weer een handeling
uit. Je zet 'm meteen in z'n achteruit
en je kijkt of de weg achter je vrij is.
Je rijdt verder rustig achteruit naar
beneden.
ontkoppeldopgripnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnn
...toen viel ik in slaap op het toetsenbord
en was het opeens 2 uur 's nachts. Dat
is beter dan achter het stuur. Tip 113:
neem een toetsenbord mee om onderweg eens
een verantwoord tukje te doen.
Rijden op zand
1.
Gebruik brede
banden en bij mul zand een lage bandenspanning.
2.
Houdt bij mul
zand een redelijke vaart aan.
3.
Onbereden mul
zand is soms steviger dan bereden zand.
Rijd dan niet in bestaande sporen, maar
ernaast.
4.
Bij omgewoeld
vochtig zand kun je ook naast de sporen
rijden, zo ga je de spoorvorming tegen.
Doe dat alleen als er geen kwetsbare zandgrondvegetatie
Rijden op rots
en steen
1.
Hier is een
dilemma met de bandenspanning. Een iets
lagere spanning kan de grip verbeteren,
maar de band is kwetsbaarder om door scherpe
uitsteeksels doorboord te worden. Kies
liever voor een wat hardere band.
2.
Soms wil je
het terrein vlak voor je wielen zien en
dat is niet makkelijk bij LR, zeker niet
met een reservewiel op de motorkap. Steeds
uitstappen dus. Maar soms is het niet
te doen om iedere meter uit te stappen
en te kijken waar je je wiel nu weer neer
zult zetten. Handiger is als de co-piloot
voor de auto staat en signalen geeft om
je verder te loodsen.
Rijden over greppels
en obstakels
1.
Neem greppels
en obstakels diagonaal, met ˇˇn wiel tegelijk
en houd enige vaart.
2.
Let op dat niet
twee wielen diagonaal van de grond komen,
want dan heb je opeens geen tractie meer
(ook al heb je de difflock ingeschakeld).
De LR heeft standaard namelijk geen sperdifferentieel.
3. Bij het diagonaal oversteken kun je
als het derde wiel de greppel in gaat
wat extra gas geven.
Rijden op
sneeuw
1.
Rijdt langzaam.
Accelereer niet plotseling. Rem niet hard.
Minder vaart bij bochten. Probeer de eigenschappen
van de sneeuw eens uit door te remmen
en flink te sturen op een plek waar het
geen kwaad kan. Er is verschil tussen
een dunne laag op de weg en een dikke
laag. Bij het eerste "bijt" het profiel
door de sneeuw en rust dus in feite op
de weg, bij het tweede niet. Verse sneeuw
kan door de banden in een profiel geperst
worden en zo enige tractie leveren. Samengeperste
sneeuw of sneeuw die verijst is, niet.
2.
Kies banden
met een blokprofiel (groot of klein) of
met breed diagonaal profiel, zoals d-stone
of Goodyear Hi-miler. Deze drukken een
profiel in de sneeuw en cre‘ren zo tractie.
In het terrein kan de bandenspanning verlaagd
worden. Op de weg is dat niet speciaal
zinvol.
3.
Gebruik kettingen.
Beding bij het kopen dat ze inderdaad
passen of anders geld terug. Pas ze ter
plekke. Niet alles wat op de doos staat
is namelijk waar en 7.50x16 is meer een
toonaard waar iedereen variaties op maakt
dan een harde maataanduiding.
4.
Rijden in lage
toeren in een wat hogere versnelling is
een goede manier om "wheelspin" te voorkomen.
Naderhand
1.
Verwijder de
"wade plug".
2.
Verwijder modder
van de wielen, ook van de achterkant van
het wiel.
3.
Check vloeistoffen
(kan er water bij de olie zijn gekomen?)
4.
Breng de banden
weer op spanning.
5.
Spuit modder
van/uit het chassis, motor, bak en carrosserie.
Denk met name om de achterbalk, de outriggers
en bij de series de hoeken en spleten
rond de brandstoftank. Vergeet ook de
remmen en de binnenzijde van de wielen
niet. Denk om de milieuwetgeving, als
aarde op de grond komt is dat in sommige
gemeenten tegen de milieuwetgeving. Ook
dient hemelwater strikt gescheiden te
worden ingezameld van het grondwater.
Bedenk maar iets geks, maar vergeet niet
dat gekke idee‘n in sommige gemeentes
heel serieus wordt genomen. Als de buren
de milieudienst bellen komen ze monsters
nemen van het waswater van je auto, ontdekken
ze DNA dat niet eigen is aan het dode
ansjovis DNA dat eigen is aan het grondwater
van die polder, enz. enz.
6.
Vul verbruikte
materialen aan, EHBO-kit, brandblusser,
vloeistoffen, enzovoorts.
René
Duba
|